Selfie: baantjes

Zoals ik laatst schreef, maak ik tegenwoordig elke dag een selfie van tekst. Mijn antwoord op de vraag van vandaag – Wat was je meest bizarre bijbaantje en wat heb je daarvan geleerd? – gaat over de manier waarop ik vooral niet wil werken.

Het was de zomer na mijn afstuderen. Ik had via Randstad, Tempo-Team of een soortgelijke tent een baantje bemachtigd dat hierop neerkwam: ik zat op een stoel in een fabriekshal en moest loggen wanneer de machine waar ik tegenover zat uitviel, en wat er dan gebeurde. De bedoeling was namelijk dat de operator die machine zo snel mogelijk weer aan de praat kreeg en men had het idee dat dat weleens sneller zou kunnen dan het nu ging. Het was aan mij om te noteren hoelang het duurde. De machine viel ongeveer drie keer per dag uit. De rest van de dag zat ik niks te doen. Iedereen die daar op de vloer werkte, en vooral de operator van de machine die ik moest controleren, had vanaf dag één een hekel aan me. Ik had ook een hekel aan mezelf. Wat deed ik hier in godsnaam? Mensen op de vingers kijken is niks voor mij; ik word zelf niet graag op de vingers gekeken en wat gij niet wilt dat u geschiedt…

Toen ik de operator in kwestie duidelijk had gemaakt dat ik het zelf ook drie keer niks vond, werd de sfeer tussen hem en mij beter. Als de machine uitviel, riep hij me toe hoe laat het was, en als het ding weer aan de praat was, stak hij zijn duim naar me op. Dit was écht alles wat het werk behelsde, geen geintje. Het was heus niet zo dat de operator eerst een kwartier niets deed voor hij de machine erbovenop hielp, en of hij de juiste stappen doorliep was voor mij onmogelijk te controleren omdat ik geen idee had welke stappen dat waren.

Helaas was de verbeterde relatie tussen mij en de operator niet goed voor de relatie tussen mij en de opzichter – die door de hal liep om erop toe te zien dat iedereen, dus ook ik, zijn werk goed deed. Hij wees mij erop dat het niet slim was om vriendjes te worden met de mensen die ik moest controleren. Zelf bracht hij zijn eigen wijsheid in elk geval in de praktijk, want hij deed alle mogelijke moeite om geen vriendjes met mij te worden. Toen ik op dag zes of zeven een boek zat te lezen terwijl de machine vrolijk snorde en mijn operatorvriend een bakje koffie dronk, maakte de opzichter weer eens zijn ronde door de hal.

‘Zit jij hier nou een boek te lezen?’
Ik knikte, al behoefde deze vraag geen antwoord.
‘Dat lijkt me niet bepaald representatief.’
Was ik het mee oneens, want in de uitzendbureauvacature die mij hier had gebracht stond dat je hbo-niveau moest hebben voor de functie, en het was het verzameld werk van Kafka waarop ik me had besloten te storten in die zee van tijd waar ik me al een week in bevond.
‘Ik wil dat je je ogen op het werk houdt, oké?’
Ik knikte opnieuw, want dat was het enige juiste antwoord.

Tevredengesteld liep de opzichter verder en zodra hij uit het zicht was, sloeg ik het boek weer open. Vanaf dat moment gaf mijn operatorvriend een gil als de opzichter in beeld kwam zodat ik in alle rust kon lezen. We hadden echt een band gekregen in die korte tijd, de operator en ik.

Enkele dagen later werd ik gebeld met het nieuws dat ik was aangenomen als tekstschrijver bij een communicatiebureau waar ik had gesolliciteerd in de week vóór ik startte als machine-/operatorcontroleur. Ik was in de stad, had een vrije dag. Meteen hierna heb ik eerst mijn moeder gebeld om haar te laten weten dat ik een ECHTE BAAN HAD! en meteen weer daarna belde ik het uitzendbureau om te laten weten dat ik niet meer op de fabrieksvloer zou verschijnen. Mensen op de vingers kijken was namelijk nog steeds niks voor mij, en op de vingers gekeken wórden zou evenmin ooit iets voor mij worden. Het enige nadeel van deze move is dat ik nog steeds het verzameld werk van Kafka niet uit heb – en dat ik de operator nooit meer heb gezien. Ik hoop alleen maar dat hij ook nooit meer iemand anders op die stoel van mij heeft gezien.

Afbeelding: Babak Fakhamzadeh

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.Verplichte velden zijn gemarkeerd *